De dertien druivensoorten

Toen Châteauneuf-du-Pape als eerste de Franse AOC status bereikte werden 13 verschillende druivensoorten vastgelegd die allen bijdragen aan de specifieke kenmerken van de wijn betreffende: kleur, structuur, geur, frisheid en een lange potentiële levensduur.

De toegestane rode en witte druivenrassen zijn: Grenache, Syrah, Mourvèdre, Cinsault, Clairette, Vaccarèse, Bourboulenc, Roussanne, Counoise, Muscardin, Picpoul, Picardan en Terret noir.

Deze rassen werden gekozen na zorgvuldige selectie door verschillende generaties van wijnmakers met als voornaamste reden de kwaliteit. Een van hen, Joseph Ducos (een prominente lokale wijnboer, die zeer gerespecteerd werd door Baron le Roy), speelde een belangrijke rol in herbeplanting van de Châteauneuf-du-Pape wijngaarden na de desastreuze phylloxera periode aan het eind van de 19e eeuw. Eigenaar van La Nerthe en waardige opvolger van de Markies Tulle de Villefranche, ondernam Ducos een ​​grondige studie van de verschillende druivensoorten en na uitgebreide experimenten uitgevoerd te hebben in zijn eigen wijngaard, selecteerde hij de verschillende druivenrassen gekozen op basis van kwaliteit en evenwicht.

Grenache is de belangrijkste druivensoort in Châteauneuf-du-Pape en vormt een perfect huwelijk mede omdat deze druifras zeer wel gedijt op magere droge bodem in hete zomers met lange periodes van droogte en de fiere mistral wind. Grenache bezit als eigenschap warmte, rijpheid en kracht en heeft een breed spectrum van smaken, terwijl de andere druiven rassen zoals Syrah, Cinsault en Mourvèdre zorgen voor een goed evenwicht.